Wij houden dieren uit liefde. Niet voor melk, vlees of arbeid. Voor gezelschap. Dat is de echte kloof tussen een huisdier en vee. Het gaat om de knuffel. De genegenheid. Welke dieren geven meestal terug.
Honden staan al aan onze zijde voordat de geschiedenis werd geschreven. Katten? Ze sloten zich rond 1600 voor Christus aan bij het huishouden. Paarden? Minstens 2000 voor Christus. Dan heb je de gebruikelijke bemanning. Vogels. Konijnen. Knaagdieren. Reptielen. Zelfs insecten. Wij vinden het fijn om ze dichtbij te hebben.
Maar er is een donkerdere trend. Mensen willen exotische huisdieren. Apen. Ocelotten. Dingen die niet in een woonkamer thuishoren.
Dit is waar het misgaat.
“Eigenaren kunnen zelden in hun behoeften voorzien.”
Een ocelot wil geen kartonnen doos en een krabpaal. Het wil ruimte. Het wil jagen. Het wil wild zijn. Als je er een koopt, zorg je ervoor dat het mislukt. En jezelf. Het is voor iedereen een slechte deal.
Dan is er het grotere plaatje. Deze populaties zijn al precair. Als je ze voor huisdieren verkoopt, worden ze nog verder uitgeput. Je koopt niet zomaar een raar huisdier. Je helpt een soort uit te roeien.
Is het het waard? Voor de sensatie van het hebben van een aap? Voor de status?
Waarschijnlijk niet.
Maar mensen doen het. Omdat ze dat kunnen. Of omdat ze denken dat ze goede eigenaren zullen zijn. Dat zijn ze zelden.
Het wild is niet voor niets wild.

















